stap1

De mogelijkheden om te veranderen, meer vanuit de sporter te gaan denken en dus een diverser, flexibeler aanbod te ontwikkelen, zijn per vereniging verschillend en hangen sterk af van de identiteit van de club en de heersende cultuur. Een vereniging die uitgaat van het klassieke jaarlidmaatschap, waar het vooral draait om de leden, sociale contacten, gezelligheid en waar alle leden samen de vereniging vormen, zal in de regel minder ruimte voor flexibel aanbod hebben dan een vereniging die simpelweg zoveel mogelijk sporters naar behoefte wil bedienen. In het laatste geval zal nieuw aanbod nieuwe doelgroepen naar de club trekken die een andere rol op de vereniging vervullen dan traditionele leden. De zogenoemde heterogeniteit op de club neemt daarmee sterk toe, waar je met hybride lidmaatschapsvormen op in kan spelen.

Het zijn voor verenigingen fundamentele afwegingen die van grote invloed zijn op de mogelijkheden om te flexibiliseren en
dus op de koers voor de toekomst. Één bepaalde keuze is daarbij niet beter of slechter dan een andere, maar voor elke
vereniging is het wel essentieel zich af te vragen: wie zijn wij, wie willen we zijn, vóór wie zijn wij er en wat onderscheidt
ons van andere verenigingen?

Het feit dat veel sporters de meerwaarde van samen sporten op bijvoorbeeld een vereniging wel zien, maar daar niet voor kiezen omdat het aanbod niet voldoende aansluit bij hun wensen, biedt dus kansen. Het vraagt van verenigingen, maar zeker ook van bonden echter wel een andere denkwijze die niet alleen uitgaat van het aanbod, maar meer van de vraag. Welke vraag naar nieuw aanbod is er, wat is het huidige aanbod en in hoeverre past dat bij de behoeften van de verschillende doelgroepen? In die denkwijze staat niet de organisatie, maar vooral de sporter centraal.


Clubcultuur en -identiteit: wie zijn wij?